Zakgeld

De jongetjes op het plein beneden me waren met stukken stoeptegel winkelwagentjes aan het bewerken. Het schrille gebeuk weergalmde lelijk tussen de huizen. Soms gingen de twee jongetjes gelijk op en leken ze een identiek tempo gevonden te hebben, om elkaar weer spoedig te verliezen en syncopisch en chaotisch af te wisselen. Af en toe stopte er één om het muntstuk dat hij bevrijd had uit het slot van het winkelwagentje in z’n zak te stoppen. Het karretje kreeg dan bij wijze van afscheid een harde trap en ging struikelend een willekeurige richting uit om ergens om te vallen en tot stilstand te komen. Als het een mooie trap was geweest of het winkelwagentje op een grappige manier viel, werd er geklapt of waarderend geschreeuwd en gelachen. Zó oogsten mijn buurjongens hun wekelijkse zakgeld.

Ik kende ze al vanaf hun kleutertijd. Ze hadden veel zwart haar dat af en toe in de zomer opeens helemaal was afgeschoren. Ze hadden diep zwarte ogen en zeer lange wimpers. De jongetjes roken naar snoep en frituur. Om aan te geven dat ze een voorwerp begeerden raakten ze het met een kort en kleverig bruin vingertje aan en zeiden dan: ‘oh mooi’, terwijl ze ‘ja’ knikten. Vervolgens pakten ze voor de zekerheid alvast het voorwerp van hun keuze, terwijl ze de eigenaar nauwlettend in de gaten hielden. Als dit stadium eenmaal gepasseerd was, bleek het altijd heel moeilijk het ding terug te krijgen. Gillend, huilend en bijtend liet de nieuwe eigenaar zijn bezit vechtend gaan. Pogingen om de buurjongetjes tot de orde te roepen liepen op niets uit. Op ‘laat los’ of ‘niet doen’ volgde geen enkele reactie. Dit veranderde drastisch toen we de Arabische equivalenten van deze woorden leerden. Een Arabisch ‘laat los’ of ‘niet doen’ deed de jongetjes verstenen van schrik in afwachting van een gigantische en al even Arabische lel voor hun harses, die wij hun niet gaven, wat ze als bijna beledigend opvatten; we volgden de regels van het spel niet.

De buurjongens kregen opvallend snel snorretjes. Toen ze tien jaar waren begon het al te schemeren op hun bovenlip. Er werd bij de buren steeds harder geschreeuwd en met deuren geslagen. Wat later kwamen er brommers in het spel. Er werd lang gerookt en gepraat op straat, maar steeds vaker op vreemde tijden, die niets te maken konden hebben met natafelen of ontluikende liefdes. Er werd veel gewisseld van brommer: oud, nieuw, te nieuw of slecht overgespoten. Jongens met een vechthond kwamen iets brengen of ophalen. Het destijds schattigste buurjongetje werd heel dik en kreeg een holle blik in zijn ogen. Ook begon te politie aan te bellen. Eerst nog overdag, maar al snel vroeg in de ochtend. De donkere bol die ik vroeger een aai gaf werd dan door een agent naar beneden gedouwd voordat hij in de politie-auto werd geduwd.

In de laatste fase was één van de drie jongens telkens een tijd weg. Twee maanden, drie maanden of een half jaar. Er werd vermoed dat ze dan in de gevangenis zaten. Rond de tijd dat ze tussen de 17 en de 20 jaar moesten zijn zagen we ze helemaal niet meer. Hun moeder, die in het Nederlands alleen ‘stout’, ‘niet goed’ en ‘ja pijn’ kon zeggen overleed spoedig in het troosteloze ziekenhuis in de buurt. De buurman ging terug naar Marrakech, de stad waar hij vandaan kwam.

© Micha Molthoff 2016