Over techniek en fitness

Het studeren van viooltechniek moet je benaderen zoals fitness wordt benaderd. Fitness is een goed voorbeeld want iedereen snapt dat je door twee keer in de maand tien keer opdrukken geen spierballen krijgt. Het enige wat je daarmee bereikt is spierpijn en teleurstelling. Bovendien zul je je afvragen wat je bezielde. Veel violisten daarentegen lijken te denken dat voor het studeren van techniek iets anders geldt: af en toe heel hard oefenen en het wordt vast beter.

Eigenlijk valt er helemaal niet zoveel te studeren aan viooltechniek. Het enige wat je hoeft te doen is er elke dag aandacht aan schenken. Dan gebeurt er iets. Al na een week of twee, drie zul je flinke vorderingen hebben gemaakt. Het lijkt op iets als plantjes water geven of de vissen voeren: iedere dag gewoon even doen en ze gaan groeien (ik weet dat er verschillende soorten planten en vissen zijn!). Hoe veel tijd je er elke dag aan moet besteden is eigenlijk niet eens zo belangrijk. Een half uur is al gauw voldoende. Hoewel je het weekend vrij moet houden om blessures, routine en verveling te voorkomen schuilt de truuk schuilt in elke dag, maar dan letterlijk. Dat is het geheim.
Eén van de lastige dingen is natuurlijk dat veel violisten erg schrikken van de abonimabele staat van hun techniek als ze weer eens de moed hebben verzameld er aan te werken. Hoe zorg je ervoor dat je niet ontmoedigd raakt? Stap één zou moeten zijn: leer je zelf om niet onder de indruk te raken van de situatie. Als je in een chaos terecht komt is het uiteraard logisch dat je paniek of frustratie voelt. Je vraagt je wanhopig af: ‘hoe moet ik dit ooit op een goed niveau krijgen?’. Als je je bijvoorbeeld door de tertsentoonladders heen probeert te worstelen voelt het alsof je in een oerwoud gedropt bent. Maar net zoals het in een oerwoud onverstandig is om in paniek te raken en als een dolle heen en weer te gaan rennen om de uitgang te vinden is het in deze toestand evenmin verstandig. Ook de dappere neiging tot het analyseren van de technische problemen kun je in deze fase achterwege laten. Het enige wat nu telt is: relaxed blijven; fysiek en mentaal. Je kiest een klein stukje van het oerwoud en begint het rustig te ontginnen. Dat kan betekenen: het doorspelen van de tertsen van D groot en b klein. Als je het een half uurtje geprobeerd hebt ben je klaar, ongeacht de resultaten. Morgen probeer je het weer.
Wanneer je iets meer vertrouwt begint te raken met het dagelijks laten terugkomen van een bepaalde portie techniek ben je er klaar voor een plan te maken. Voor het maken van het plan hoef je alleen maar heel praktisch te zijn: er zijn 24 toonsoorten en het zou goed zijn als je die allemaal af en toe tegenkomt. Iedere week een andere toonsoort is dus niet zo handig want dan kom je alle toonsoorten maar twee keer per jaar tegen. Een eerste stap zou kunnen zijn: C groot en a klein, F groot en d klein: vier per week. In dit tempo laat je in zes weken alle toonsoorten voorbij komen. In de zevende, achtste en negende week is het tijd voor herhaling en een grotere portie. Je kunt nu acht toonsoorten per week de revue laten passeren. In week tien en elf herhaal je twaalf toonsoorten per week en in week twaalf herhaal je alles. Hierna kun je de cyclus opnieuw laten beginnen of in tegengestelde richting bewandelen. (zie schema)

Toonsoorten schema 12 weken

 

 

 

 

 

© 2016 Micha Molthoff