Lekker weertje

Toen ik klein was dreven er matrassen en vuilniszakken in de Bloemgracht. De gracht was een soort vuilnisbak. Alles waar je van af wilde gooide je in de gracht. De Jordaan was nog vies. Je moest heel erg oppassen niet in de hondenpoep te stappen, veel meer dan nu. Tussen de auto’s kon je ook soms een junkie zien poepen. Alle stegen stonken naar pis. Er woonden nog arme mensen in de verkrotte huizen. Grachtenpanden waren gekraakt. Dat maakte niemand iets uit; wie wilde er nu in die ouwe troep wonen? Soms was het zelfs gevaarlijk. Surinamers waren nog eng omdat ze pas later beroemde voetballers zouden worden.

Er stond in de Bloemstraat altijd een oude vrouw in de deuropening, geleund op de onderkant van de in tweeën gedeelde deur. Haar enorme boezem ruste ook op die deur. Ze had lang, vet grijs haar en een matglazen bril. Ze keek de straat in alsof ze duizelig was en ieder moment kon gaan overgeven. Af en toe ging het gat van haar mond open en zag je wat brokjes zwarte tanden. Ze riep dan iets onverstaanbaars, om zichzelf en de hele situatie vervolgens te becommentarieëren met kauwend gemurmel.

Mijn vader parkeerde de auto overal waar maar een leeg plekje straat te bekennen was. Aan weerszijden van de smalle straten zette hij de auto zoveel mogelijk op de stoep zodat er nog verkeer door de straat kon, dat was netjes. Als er een auto in de weg stond riep je er een paar mannen bij en dan stuiterden ze samen de auto aan de kant. De auto’s waren nog niet zo zwaar en konden met gemak door hun veren worden geduwd. Dan kwam de auto weer omhoog en werd hij als een bal weer teruggeduwd totdat hij op zijn banden begon te stuiteren. Zo manoevreerden ze de auto naar zijn nieuwe plek. Soms parkeerden we vlak voor iemands voordeur die dan nauwelijks zijn huis nog uit kon komen. Diegene schreeuwde dan kwaad uit het raam dat we moesten oprotten. Dan zochten we een ander plekje.

De krakers aan de gracht waren grappige jonge mannen en vrouwen die veel dronken, geweldige feesten vierden, mij gitaar leerden spelen en lang sliepen. Ze hadden allemaal lang haar en de mannen zonder uitzondering baarden. Iedereen knipte zijn pony recht af als die in je ogen ging hangen. Ze droegen spijkerbroeken, schipperstruien en gympen. Er werd heel veel gelezen. We gingen naar theaters en musea. De krakers mopperden op ouwe zakken in grijze pakken. De krakers gingen niet weg uit de panden aan de gracht en er zat voor de ouwe zakken uiteindelijk niets anders op dan ze aan hun te verkopen.

Op de tiende verjaardag van één van de grachtenbabies werden de eerste tekenen van verval zichtbaar. Er was een man zonder baard. Gladgeschoren en fris gewassen. Hij had er een vrolijk overhemd bij aangetrokken. Gelukkig had hij wel een spijkerbroek en gympen aan. Een andere keer werd het plotseling stil op een feestje. Eén van de mannen legde uit dat hij door de omstandigheden geen andere keus had dan directeur van de school te worden waar hij werkte. Alle pogingen het leiderschap te delen waren op niets uitgelopen en hadden zelfs tot ruzie geleid en een vriendschap gekost. Vanaf toen was er geen houden meer aan: we hoorden dat andere kennissen veel geld van hun ouders hadden geërfd. Ze kochten de rest van hun grachtenpand en lieten het helemaal opknappen. En een heel goede vriend van mijn ouders stopte met het schrijven van heel merkwaardige poëzie en richtte een reclame bureau op dat binnen een paar jaar zó succesvol was dat hij het verkocht en we hem nooit meer terugzagen, behalve op de televisie.

Vanwege het slechte weer ging ik vorige week met de auto naar mijn sportclubje in het Vondelpark. Ik wilde de auto achteruit inparkeren en terwijl ik halverwege de stoep allerlei voetgangers met paraplu’s in de weg weg zat reed ik ook bijna een fietser aan. De fietser kwam woedend verhaal halen aan mijn autoraampje. Ik verontschuldigde mij en meende een bekend gezicht te herkennen. Terwijl de kale, bebrilde man zijn woede uitte zag ik wie het was: de beeldhouwer die in de jaren ’70 zijn atelier had gehouden in ons souterrain. De wilde haardos met kalkstof en de baard met etensresten waren verdwenen. Hij droeg ook geen klompen meer maar wel een Burberry jas. Daaronder meende ik een grijs pak en een keurige das te zien. Hij accepteerde mijn excuses hoofdschuddend. Ik zei nog schertsend:”Lekker weertje!”. Waarop hij niet begrijpend “Dankje!” antwoordde en wegfietste.

© Micha Molthoff 2016